VON REDDERINGH
Bij ons in het dorp was vroeger maar één kapper en dat was, lees goed, von Redderingh, geen van, maar von. Hier later meer over. Hij had een kleine zaak, maar hij had het wel erg druk, want iedereen uit het dorp ging vanzelfsprekend voor het knippen of scheren naar hem toe. Hij was al een beetje op leeftijd toen ik hem leerde kennen. Ik kan hem nog heel goed herinneren. Een kleine stevige man met een klein mondje en van die hangwangen, blauw rood gekleurd vanwege dedoorzichtige aders en het grijze achterover gekamd haar dat stijf stond van de brillantine. Ook hij kauwde tabak, net als bijna iedere man in die tijd.
Misschien waren die hangwangen wel ontstaan door de pruimtabak, die hij voortdurend achter zijn kiezen had. Ook hier stond de spuwbak gevuld met zand in de hoek van de zaak. Onder het knippen hoorde je steeds psj, psj, dan spuwde hij het sap van de tabak in de bak. Het ging ook wel eens mis omdat de kapper op een te grote afstand van de bak miste en er naast spuwde. Maar ach, hij vond dat niet zo erg. ‘Tabak kauwen is gezond, het is veel gezonder dan roken,’ zei hij
altijd. Bovendien kreeg je van het pruimen ook sterke tanden en kiezen. Soms zei hij wel eens: ‘Kijk maar’ en opende zijn mond.
Inderdaad zag het gebit er sterk uit, maar oh, oh wat waren de tanden en kiezen bruin. Hij vond het kauwen heerlijk en was net zoals Harmannus, een dorpsgenoot, en vele andere mannen verslaafd. Met de netheid in de kapsalon nam hij het ook niet zo nauw. Zo was het doek dat je voor het knippen werd omgedaan niet al te schoon, beter gezegd, het stond stijf van het vuil. Maar men lette daar niet op, klaarblijkelijk waren de mensen er aan gewend. Als het haar maar geknipt werd, daar ging het om. Een speciale coupe had de kapper nog nooit van gehoord. Hij kende maar één coupe, het bloempot model. Kort dus, gestroomlijnd. Hij was een aardige man.
Hij werd nooit kwaad, behalve wanneer je zei ‘van’ in plaats van ‘von’ Redderingh. Hij was van Duitse adellijke afkomst en daar was hij erg trots op. Op het Gemeentehuis stond hij ook met ‘von’ geregistreerd. Het zou wel eens waar kunnen zijn. Ik mocht altijd graag naar hem toegaan, vooral omdat hij zo goed kon vertellen. Meestal werd er danig bij gelogen. Maar iemand die aardig en spannend kan vertellen die moet toch ook een beetje kunnen fantaseren. Zo was hij een groot
liefhebber van vissen, dat was ontspanning voor hem, daar kon hij uren over praten. Enorme vissen haalde hij uit het water.
Dikwijls gaf hij met zijn handen aan hoe groot ze wel waren, daar waren kanjers bij hoor! Vissen van een meter lengte! En hoe hij ze had gevangen. Een wildwest verhaal was er niets bij. Zijn vrouw was heel tenger. Ze droeg een brilletje, met van die ronde glazen in een dun ijzeren montuur, op haar spitse neus. Ze liep ook nog mank en het was ook heel komisch haar rond te zien wippen. Op zondag in de kerk was zij altijd één van de laatsten. Dan hoorde je, wip, wip, wip, terwijl de grote veer op haar zwarte hoed zich van links naar rechts bewoog. Men keek elkaar dan aan en iedereen dacht hetzelfde. Ha, daar komt het vrouwtje van von Redderingh.
Ze kwam ook vaak even in de salon kijken en maakte een praatje met de klanten. Ze had het altijd over haar zoon die goed kon schilderen en tekenen. En als men interesse toonde dan werden de schilderijen en portretten opgehaald en liet ze vol trots zien. ’Mooi hè, hij is een echte kunstenaar, nietwaar?’ Ik moest toegeven dat er wel leuke exemplaren bij zaten. Zoonlief was leraar tekenen aan een middelbare school. Maar het vrouwtje mocht ook graag een beetje ruziën met haar man, de baas over hem spelen. Hij moest dit en hij moest dat. Wat kon ze dan een herrie maken met haar hoog stemmetje.
De kapper liet echter alles gelaten over zich heenkomen. Hij spuugde maar een paar keer vaker in de spuwbak, echter wel iets driftiger dan normaal, maar boos werd hij niet. Kortom, hij was een amicale kerel.



Nu op radio Emmen







Weekschijf


