SPOKEN.
Op winteravonden zaten de mannen en vrouwen rond de kachel in de grote, gezellige woonkamer.Er werden dan onder het genot van een kop koffie, of een borrel vaak sterke verhalen verteld. Er
werd flink gerookt en tabak gekauwd. Een bak met zand stond in de kamer voor het spugen.
Sommige mannen presteerden het om op enkele meters afstand raak te spugen, maar ze zaten er
ook wel eens naast. Harmannes was zo verslaafd aan het kauwen dat, zo zei hij, ‘als hij geen tabak
meer achter zijn kiezen mocht hebben, men hem maar naar het kerkhof moest brengen.’ Nu
maakte Drieka, de dochter des huizes, ook eens zo’n avond mee.
Deze avond had moeder haar gevraagd of zij voor de koffie wilde zorgen. Berend, de oudste van
het gezelschap, was meestal de smaakmaker. Onder het vertellen draaide hij puntjes aan zijn
grote snor met zijn duim en wijsvinger en dat was meestal een teken dat er weer een sterk verhaal
kwam. Nu had hij het over spoken. Wis en waarachtig, hij had ze zelf gezien, ze bestonden echt.
Op een avond waren er enkele griezelige gedaanten bij hem in de kamer gekomen, waarbij ze
vreemde kreten slaakten en ze waren toen plotseling weer verdwenen. Berend kon dat met zo’n
ernstig gezicht vertellen dat men er bijna in ging geloven. Het verhaal maakte op Drieka veel
indruk.
Nadat de gasten waren vertrokken, had zij er moeite mee om naar bed te gaan. Ze was bang, ze
trilde en beefde toen ze naar boven ging. Ze hoorde van allerlei geluiden en daar er die avond ook
nog een storm woedde, was het allemaal des te angstiger. De deuren piepten, de ramen
klapperden en toen ze in bed lag, zag ze in gedachten spoken. Ze kon de slaap niet vatten, ze was
echt bang, maar ze wilde flink zijn. Nadat zij zichzelf ervan overtuigd had dat er geen spoken
bestonden en dat Berend maar iets had verzonnen, viel ze uiteindelijk in slaap. Nou ja, slapen, zeg
maar dommelen. Opeens schrok ze wakker.
De storm was inmiddels geluwd. Ze ging rechtop in haar bed zitten. Wat was dat? Ze hoorde
vreemde geluiden, kraak boem, kraak boem... Ze luisterde nog eens heel scherp. Volgens haar
waren het voetstappen die zich traag voortbewogen. Wat kon dat zijn? Ze was verstijfd van angst.
Zouden er dan toch spoken bestaan? Had Berend toch niet gelogen? Wat moest ze doen? Haar
ouders roepen? Nee, dat vond ze kleinzielig, ze zouden haar uitlachen. Ze bleef nog even wachten,
misschien gingen de vreemde geluiden wel over, maar die gingen door. Ze was toch niet rustig en
teneinde raad besloot ze naar beneden te gaan. Op de deel bleef ze even roerloos staan luisteren.
Ze hoorde dezelfde geluiden. Het waren inderdaad voetstappen en ze kwamen van buiten. Opeens
zag ze door het raam schimmen die zich langzaam voortbewogen. O, wat was ze bang. Ze raapte
het laatste beetje moed dat ze nog bezat bijeen en ging dichter naar het raam toe. Boe, boe! Een
grote kop van een koe staarde haar aan. Ze schrok verschrikkelijk. Er liepen nog meer koeien. ‘Zo,
zo, jullie zijn dus de boosdoeners die mij de schrik hebben aangejaagd. Hoe komen jullie eigenlijk
hier, zijn jullie uitgebroken?’ Ze trilde op haar benen, maar ze was toch gerustgesteld dat het geen
spoken waren en dat het toch zin had gehad om naar beneden te gaan.
Anders waren de koeien misschien wel weggelopen. Ze ging meteen naar de slaapkamer van haar
ouders en riep vader. De koeien waren uit de stal gebroken, de buitendeur had het begeven door
de storm en nadat vader met de hulp van Drieka de koeien weer hadden teruggebracht naar hun
stal en de deur gerepareerd had, gingen ze weer naar bed. Het duurde wel een hele poos voordat
ze in slaap viel na al die emoties. Later hebben ze nog dikwijls over het voorval gesproken. Drieka
heeft er nooit bij verteld dat ze bang was geweest voor spoken. De verhalen rond de kachel waren
voor Drieka taboe. Ze zorgde wel dat als er praters kwamen zij niet thuis was.



Nu op radio Emmen







Weekschijf


