NAAR DE KERK GAAN.
De mensen waren vroeger heel gelovig. Men ging niet alleen naar de kerk om de Heilige Mis bij te wonen, maar ook voor andere gelegenheden, zoals bijvoorbeeld biechten. Iedereen van een katholiek gezin deed dat, dus ik ook. Vooral op feestdagen zoals Pasen en Kerstmis zat men in lange rijen in de kerk om te gaan biechten. De pastoor van de parochie en een priester of pater die voor deze gebeurtenis speciaal was ingehuurd omdat het zo druk was, zaten in een apart kamertje in de kerk, de zogenaamde biechtstoel en daar werd je dan als het ware verhoord. Je kon dan de begane zonden belijden. Ik zat al dagen van tevoren te bedenken wat ik moest gaan zeggen.Want als kind deed je toch geen echte zonden. Het was dan ook altijd hetzelfde. Ik heb stiekem bij de suikerpot gezeten, mijn moeder uitgescholden voor rotwijf of kreng en ruzie gemaakt met broer of zuster. Maar het gaf me wel altijd een tevreden gevoel als ik uit de biechtstoel kwam en vrij was van zonden.
Je moest dan nog wel even nabidden, de penitentie, een Onze Vader en een Wees Gegroet, die als straf voor de zonden die men had gedaan werd opgelegd. Maar dat was het dan ook. Of neem nou eens Allerheiligen of Allerzielen op 1 en 2 november. Eerstgenoemde was een zondag en laatstgenoemde een biddag.
Men zat een groot gedeelte van de dag in de kerk, je moest bidden voor de overledenen, maar wel met tussenpozen. Je ging steeds de kerk uit en als je buiten even had gewacht ging je weer de kerk in voor het volgende gebed. Maar ik had daar eens op zo’n dag niet veel zin in. Ik had al een uur in de kerk gezeten en vond het welletjes. Ik denk dat de pastoor mij voortdurend in de gaten heeft gehouden, want toen ik buitenkwam, stond hij mij op te wachten en zei: ‘Je moet in
het vervolg wel steeds naar buiten gaan anders verdien je geen aflaat’. Ik had geen idee wat dat inhield.
Bij nadere informatie bleek dat ook kwijtschelding van je zonden te zijn. Ik antwoordde: ‘Ja, meneer pastoor, maar....maar...’ ‘Niets te maren, je moet je aan de regels houden,’ zei de priester op boze toon. ‘Ja, meneer pastoor,’ antwoordde ik, sprong op mijn fiets en reed naar huis. Ik was blij dat het bij een berisping was gebleven. Thuis durfde ik er niet over te praten, de pastoor had altijd gelijk, hij was nu eenmaal onaantastbaar. En zo waren er meerdere ceremoniën. Ik heb er echter geen spijt van dat ik al deze dingen heb mogen meemaken. Sterker nog: ik zou het allemaal weer over willen doen.



Nu op radio Emmen






Weekschijf


