Een sprookje
Er was eens. Zo beginnen sprookjes nu eenmaal, daar kan ik ook niets aan doen. Er was dus eens. In dit geval een kabouterlandje. De kabouters leefden min of meer gelukkig. Soms wat meer, soms wat minder, zoals dat eigenlijk altijd in het leven is, maar eigenlijk hadden ze niet veel tijd om zich daarover druk te maken. Het kabouterlandje was kort daarvoor bezet geweest door zijn grote buurman en hoewel de grote buurman gelukkig weer verjaagd was, had die toch kans gezien het hele kabouterlandje leeg te roven. Verder was er heel veel vernield en het landje, dat altijd heel veel handel had gedreven met andere landen, had tijdens die bezetting bijna al zijn scheepjes verloren zien gaan. Dus al met al was er niet zoveel reden om echt gelukkig te zijn. Maar het kaboutervolkje werkte hard en koos gelukkig wijze mannen om hen te regeren. En zo werd stukje bij beetje het kabouterlandje weer opgebouwd en kregen de kaboutertjes steeds meer welvaart.
Een nieuwe generatie kaboutertjes groeide op. Zij hadden de periode van grote armoede niet, of niet bewust, meegemaakt en zoals elke jonge generatie vonden ze dat hun ouders het helemaal niet goed gedaan hadden. Zij verenigden zich, hoe ironisch, onder de naam kabouters en schopten tegen alles aan wat de vorige generatie opgebouwd had. Er moest veel meer vrijheid en blijheid komen en ieder kaboutertje moest kunnen doen wat hij zelf wilde. Van lieverlee burgerden hun ideeën in en geleidelijk aan veranderde de samenleving in het kabouterlandje van een alles met en voor elkaar, in één van ieder voor zich en de regering voor ons allen mentaliteit. Nu zou dit niet zo erg geweest zijn als er nog steeds wijze en bekwame mannen in hun regering gezeten hadden. Maar helaas was dit niet zo. Iedere nieuwe regering die er kwam wilde het beter doen dan de vorige. Dat is natuurlijk een heel goed en verstandig streven, maar de wijsheid ontbrak om dat op een verstandige manier te doen. Zo werden nutteloze, vaak peperdure projecten opgezet, alleen maar opdat de verantwoordelijke regering er zijn naam aan kon verbinden en zo kwam de tijd dat politiek belangrijker werd als goed en verstandig regeren. Natuurlijk merkte het kaboutervolkje dat, maar bij hun partijtjes kregen ze geen gehoor meer. Die hadden het veel te druk met politiek bedrijven. Toen er dan ook een kaboutertje opstond die ging vertellen dat het allemaal anders kon en zei dat de regering en ook de politiek er was voor het volk en niet het volk er voor de regering, kreeg die binnen heel korte tijd een heel grote aanhang. Gelukkig voor de politiek werd hij, net voor er verkiezingen werden gehouden, vermoord en buitelden zijn aanhangers korte tijd later ruziënd en vechtend over straat en dus bleef alles bij het oude.
Jaren later kwam er weer een kaboutertje die zei dat het anders moest. Heel veel kaboutertjes sloten zich bij hem aan. Zij waren het wel niet met alles eens van wat hij zei, maar toch, hij beloofde veranderingen en dat wilden eigenlijk ondertussen alle kaboutertjes. Verkiezingen kwamen en het kaboutertje haalde een forse overwinning en kreeg bijna de grootste partij in het land. Maar toen moest er een regering gevormd worden. Niemand wilde samen met het kaboutertje regeren, want het kaboutertje blondeerde zijn haren en dat kon toch niet. En zo kon het gebeuren dat juist toen het land een krachtige, verstandige regering nodig had omdat er een economische crisis was uitgebroken, de politiek alleen maar kon ruziën wat voor een regering die mede op moest gaan lossen. Maar verder gebeurde er niets.
Het kind rolde zich behaaglijk onder het dekbed. “Maar goed dat het een sprookje is, hè opa”? Alex knikte en zei: “ja, gelukkig is het maar een sprookje”!



Nu op radio Emmen






Weekschijf


