DE FOTO
Telkens als ik op mijn werkkamer zit, kijk ik even naar de foto aan de muur waarop mijn ouders en ikzelf staan afgebeeld. Daar staan we dan: vader in kostuum, moeder in een keurig donker kleed afgezet met witte kant, ik sta in het midden met de pofbroek aan. Ik herinner mij het allemaal nog heel goed. Het was feest, ik werd aangenomen, dat was een kerkelijke ceremonie en bij die gelegenheid moest zo’n foto gemaakt worden. Steeds weer als ik naar die foto kijk, gaan er allerleigedachten door mij heen. Het werkt een beetje nostalgisch.
Mijn moeder was een moedige, krachtige vrouw, vader meer een rustig, afwachtend type, een goede man. Hij had echter wel teveel vertrouwen in andere mensen. Tjonge, jonge, wat hebben die lui toch eigenlijk hard moeten werken voor hun bestaan, van de vroege morgen tot de late avond. Altijd alleen maar werken, vakantie was er niet bij; dat kenden ze niet. Ik zie hun gegroefde handen nog voor mij. Nu besef je alles veel beter dan toentertijd. Thuis hadden we een boerderijtje, enkele akkers land, een paard, een paar koeien, enige schapen, kippen en een varken.
Daar moesten ze van leven, ze hadden een schamel bestaan. Vader moest meestal nog voor andere boeren gaan werken om aan een behoorlijk loon te komen om op die manier zijn gezin te kunnen onderhouden. Het was altijd de eindjes aan elkaar knopen. Toch waren we een gelukkig gezin: we hadden veel plezier met mekaar, we hadden voldoende te eten, we liepen er steeds netjes bij ondanks dat ons gezin bestond uit vader, moeder en acht kinderen. Er waren zelfs nog meer kinderen geweest, maar twee waren overleden.
Ze spraken er vaak over hoeveel verdriet ze daar om hadden gehad en nog hadden, ikzelf heb ze echter niet gekend. In gedachten zie ik mijn moeder weer aardappelen schillen buiten achter het huis in de zomer, terwijl ze er een lekker bakkie koffie bij dronk. Ook zie ik mijn vader een borreltje drinken op zondag, ja alleen op zondag, meer zat er echt niet aan. Man, man, wat kon hij daarvan genieten. Ik moest op zondag naar het café om een paar maatjes jenever te halen. Toen
begreep ik het niet zo goed, maar nu des te beter.
Hij dronk uit gezelligheid, maar ook wel een beetje voor zijn kwaal: zijn hartspieren functioneerden namelijk niet goed meer. Hij had veel pijn in de borst dankzij het harde werken. Na het nuttigen van een glaasje alcohol voelde hij zich lekkerder dan gewoonlijk en de arts keurde dit goed.Toen ik veertien jaar oud was, overleed mijn vader en mijn moeder stierf een aantal jaren later. Gelukkig heb ik nog een paar jaar met haar alleen gewoond, de andere kinderen waren getrouwd. Het was wel kommer en kwel met haar: zij kreeg een klein weduwenpensioen en een kleine bijdrage van de
gemeente omdat ik nog op school zat.
De laatste jaren verbleef ze meer in het ziekenhuis dan dat ze thuis was, maar toch bleef ze moedig en opgewekt. Als ik dan weer naar die foto kijk dan denk ik: ‘Arme stumpers, ik wou dat jullie nog leefden, wat zou ik jullie dan verwennen’. Maar ik weet dat alles voorgoed voorbij is. Daarom is het zo fijn dat je van die oude foto’s bezit, het roept herinneringen op. Herinneringen waar je helemaal in weg kunt dromen. Het eind van de droom is meestal: ‘Ja, wat ben ik hen veel
schuldig, wat moet ik hen dankbaar zijn’. Zij zijn dan ook altijd in mijn gedachten aanwezig.



Nu op radio Emmen






Weekschijf


